OPINIE: Islamitisch recht en de sluier van onwetendheid aan de faculteit Rechtsgeleerdheid

Elke auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. 

Samenvatting

De vraag om ons curriculum te dekoloniseren is niet zonder voorwerp. Het koloniale verleden laat immers nog steeds sporen na, ook in de academische wereld. Voor het handboek Rechtsvergelijking, meer bepaald het hoofdstuk ‘Islamitisch recht’, is dit helaas niet anders. Het hoofdstuk ziet namelijk over het hoofd hoe het concept ‘islamitisch recht’ als een academische constructie tot stand gekomen is tijdens de hoogdagen van het Europese kolonialisme. In de 19e eeuw hebben Europese geleerden en diplomaten, in een poging om de gekoloniseerde samenlevingen te begrijpen, een westers rechtsbegrip geprojecteerd op de islamitische normatieve orde. Naast eeuwenoude, Arabische begrippen als fiqh en shari’a, ontstond bijgevolg ook de term ‘islamitisch recht’. Door een miskenning van dit koloniale verleden, verwart het handboek niet alleen ten onrechte shari’a en islamitisch recht. Op basis van deze misconceptie worden ook elders in het hoofdstuk eenzijdige conclusies getrokken. Zo stelt het hoofdstuk onder meer dat het ‘islamitisch recht’ totalitair is, en in theorie een oorlog met niet-islamitische landen voorschrijft. Deze conclusies dreigen dan weer op hun beurt bij te dragen tot een stereotypering van de islam. Om het debat te openen, eventuele stereotypes te ontkrachten en bij te dragen tot de dekolonisering van ons curriculum, werpt dit stuk een licht op de koloniale oorsprong van de notie ‘islamitisch recht’, en worden nuances geplaatst bij de drie belangrijkste implicaties voor het handboek Rechtsvergelijking van prof. B. DEMARSIN en prof. D. PIETERS, meer bepaald Rechtsvergelijking: de uitdagende wereld van het recht.


Islamitisch recht en de sluier van onwetendheid aan de faculteit Rechtsgeleerdheid

Toegegeven, het is niet bijster origineel om te verwijzen naar een sluier in een titel over islamitisch recht. Er zijn al genoeg boeken verschenen met een clichématige titel als Islam Unveiled. De sussende gedachte dat een referentie aan John Rawls wel gepast is, doet geen afbreuk aan wat dit opiniestuk juist wil aankaarten: een oriëntalistische stereotypering en een onwetendheid over de impact van kolonialisme. Oriëntalisme, dat zijn oorsprong vindt in het Europese kolonialisme, kan men omschrijven als een manier van denken die oosterse culturen, doorgaans vanuit een machtspositie, reduceert tot enkele essentialistische kenmerken. Het eerste gevolg is een stereotype voorstelling van ‘de andere’.

Een gebrek aan bewustzijn rond de effecten van het kolonialisme houdt vervolgens deze stereotypen tot op de dag van vandaag in stand. Helaas draagt het handboek Rechtsvergelijking, zoals dat gebruikt wordt voor het gelijknamige vak aan de faculteit Rechtsgeleerdheid, juist bij tot deze beeldvorming. Met name het hoofdstuk ‘Islamitisch recht’ bestendigt een oriëntalistisch denkbeeld van de islam, eerder dan een inleiding te geven tot de islamitische normatieve orde. Hier volgt waarom.

What’s in a name?

Eerst en vooral is de term ‘islamitisch recht’ problematisch. Het Arabisch, de taal die zo nauw verwant is met de islam, heeft namelijk nooit het begrip ‘islamitisch recht’ gekend. De in het Arabisch gangbare notie is altijd fiqh geweest. Deze term laat zich maar moeilijk vertalen, maar het Nederlandse equivalent rechtsleer” komt wellicht het dichtst in de buurt. Fiqh omvat eigenlijk de menselijke en dus feilbare onderneming om de goddelijke normatieve orde te doorgronden. Het Arabisch duidt deze goddelijke ‘rechtsorde’ aan met het woord shari’a, wat zich wellicht het meest laat vertalen door ‘(de weg naar) de bron’. Het handboek Rechtsvergelijking geeft terecht aan dat de shari’a enkel gekend is door God, en in die zin eeuwig en onveranderlijk is. Hoe zijn we echter van begrippen als fiqh en shari’a bij de term ‘islamitisch recht’ beland?

Voor een antwoord op deze vraag moeten we terug naar een niet zo heel ver verleden: de 19e eeuw. Juristen associëren deze eeuw natuurlijk met het rechtspositivisme, een filosofische stroming die het recht reduceert tot de geschreven letter van de wet, zonder enige ruimte voor moraliteit. De 19e eeuw betekende echter ook het begin van de Europese imperiale expansie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten – namen die trouwens evenzeer met een koloniale bijklank beladen zijn. In 1830 veroverde Frankrijk Algerije, en in 1881 onderging het naburige Tunesië hetzelfde lot. Een jaar later, in 1882, vormden een bombardement van Alexandrië en een militaire expeditie in het jonge Suezkanaal het startschot van de Britse bezetting van Egypte. In dezelfde eeuw bestendigden de Nederlanden hun koloniale aanwezigheid in Zuid-Oost Azië, waar de islam tot op de dag van vandaag eveneens een aanzienlijk aantal volgers kent. Dat het Indische schiereiland reeds onderdeel van het Britse Rijk uitmaakte, mag ten slotte ook niet vergeten worden.

In het kielzog van de Europese legers volgde steeds een contingent diplomaten, juristen en academici, met als doel om de onderworpen samenlevingen te leren begrijpen en zo het koloniale bestuur te vergemakkelijken. L. BUSKENS en B. DUPRET beargumenteren op overtuigende wijze dat de term ‘islamitisch recht’ op dit punt van de geschiedenis uitgevonden is. Oriëntalistische academici probeerden immers het ‘exotische’ rechtssysteem te doorgronden vanuit een etnocentrisch perspectief, en transponeerde derhalve een westers, positivistisch rechtsbegrip naar de islamitische normatieve orde. Bijgevolg geraakte de nochtans enkel door God gekende shari’a geïncorporeerd in de geschreven en veranderlijke wetgeving van opkomende staten, en is de term ‘islamitisch recht’ wereldwijd ingeburgerd.

Dit leidt tot een paradox. Wanneer Daesh met gruweldaden een strijd voert tegen het Westen, rekenen de extremistische militanten naar eigen zeggen af met het onrecht van het koloniale verleden. Bij de gemediatiseerde oversteek van de Syrisch-Iraakse grens, verklaarden trotse Daesh-militanten het Sykes-Picot Akkoord uit 1916 gebroken te hebben. Terwijl Daesh meent af te rekenen met het kolonialisme, vloeit hun idee van ‘het islamitisch recht’ ironisch genoeg dus voort uit het koloniale tijdperk. Stel je voor hoe een hedendaagse Daesh-militant trots aan een moslim uit de 7e eeuw van onze jaartelling zou verkondigen dat hij inderdaad “teruggekeerd is naar de bron” en “hét islamitische recht” eindelijk weer toepassing vindt. Onze verre voorouder zou niet weten waar het over gaat.

Helaas zou het handboek Rechtsvergelijking geen soelaas bieden. Het werk laat immers na om uit te leggen hoe het ‘islamitisch recht’ voortgesproten is uit de koloniale confrontatie tussen oost en west. Het handboek maakt de verwarring zelfs compleet door te stellen dat shari’a en ‘islamitisch recht’ hetzelfde zijn, zoals op pagina 241 te lezen staat: “Het islamitische recht of de shari’a is een geheel van gedragsnormen die gelden binnen de gemeenschap der islamitische gelovigen (de oemma) en die iedere moslim moet naleven.” De shari’a is een veel ouder en dus historisch ook veel ruimer begrip dan ‘islamitisch recht’. Het is een abstractie die misschien te vergelijken is met de ideeënwereld van Plato: we zullen er als mensen in ons aardse leven nooit tot doordringen, maar door reflectie kunnen we wel opklimmen tot een beter begrip van ongrijpbare ideeën zoals waardigheid en rechtvaardigheid.

De foute premisse van het handboek, die shari’a en het ‘islamitisch recht’ aan elkaar gelijkstelt, heeft ook gevolgen voor andere delen van het hoofdstuk. De rest van dit opiniestuk zal de drie bijlangrijkste implicaties toelichten.

Soumission

Een eerste gevolg veruitwendigt zich reeds op de eerste pagina van het hoofdstuk, waar het volgende te lezen staat: “De shari’a heeft de ambitie elk handelen van de mens te omvatten en is in die zin totalitair.” In deze zinsnede resoneert het pleidooi van politici zoals Geert Wilders, die de islam een “totalitaire ideologie” noemde. Impliciet weerklinkt in deze woorden ook de vooronderstelling dat de islam onverzoenbaar is met democratie, en dus strijdig met de verlichtingswaarden die welbepaalde politici als “de onze” beschouwen. Een dergelijke uitspraak valt dan ook te verwachten in een huisideologisch pamflet van niet nader genoemde politieke partijen. In een naslagwerk met een academische opzet zou deze stelling echter hand in hand moeten gaan met een nuance.

Er bestaan inderdaad totalitaire regimes die hun autoriteit grondvesten in de islam. Zo is er Saudi-Arabië, een absolute monarchie waar de Quran en Soena als grondwet gelden. Daarnaast is er Iran, dat sinds de revolutie van 1979 in naam een Islamitische Republiek is, maar waar in werkelijkheid de Ayatollahs een dictatoriaal bewind voeren. Beide staten zijn notoire schenders van de mensenrechten. Bovendien exporteren ze hun repressieve ideologie naar instabiele buurlanden als Yemen, Irak en Syrië in een poging om hun invloedsferen uit te breiden. Naast deze wedijverende regionale machten is er Marokko, dat zichzelf graag een liberaliserende reputatie aanmeet, maar waar tegenspraak geen plaats heeft en zowel de wereldlijke als religieuze macht krachtens de Grondwet nog steeds berusten bij koning Mohammed VI. Uiteraard zijn er ook de gewelddadige groeperingen zoals Daesh, Boko Haram, ash-Shabaab en de Taliban, die hun terreurbewind baseren op een eigen, ultrarestrictieve lezing van de islam.

Anders dan deze voorbeelden doen vermoeden, is de link tussen het islamitisch recht en totalitarisme echter niet zo eenduidig. Er zijn immers ook andere staten met een overwegend islamitische bevolking waar er eveneens een totalitair regime aan de macht is, maar waar het gezag mijlenver van religie staat. Denk bijvoorbeeld aan Egypte, waar het militaire bewind een moeilijke verhouding heeft met de politieke islam sinds de door een lid van het Moslimbroederschap beraamde moordpoging op President Gamal Abdel Nasser in 1954. Ook in het Irak van Sadam Hoessein was de takbir (Allahu akbar) op de nationale vlag vrijwel de enige link tussen het totalitaire doch seculiere Ba’ath-regime en de islam. Ook het bloederige bewind van Bashar al-Assad is gebaseerd op de Ba’ath-ideologie.

Bovendien weerklinkt onder moslims, ondanks de vermeende totalitaire trekjes van het islamitisch recht, evenzeer de roep om inspraak, om rechtvaardigheid, om hurriya (vrijheid). Alleen al dit jaar moesten in Algerije en Soedan respectievelijk Bouteflika en Bashir aftreden na aanhoudende protesten. Ook in Egypte en Irak vonden demonstraties plaats in weerwil van een medogenloze repressie. Op het moment van schrijven staan in Libanon moslims en christenen al dagenlang schouder aan schouder om in ongeziene betogingen een corrupt regime tot de orde te roepen. Ten slotte mochten op 10 oktober vrouwen in Iran voor het eerst in decennia een voetbalmatch bijwonen na aanhoudende kritiek en de dood van de burgerlijk ongehoorzame Sahar Khodayari.

De shari’a in se en zonder meer totalitair noemen, wordt dus problematisch. Enerzijds zijn er inderdaad dictaturen en terreurregimes die zich beroepen op de islam wanneer ze het leven van hun onderdanen volledig willen beheren. Anderzijds zijn er evenzeer seculiere autocraten in overwegend islamitische landen, en verzetten ook moslims zich tegen dictatoriaal onrecht, of het nu van religieuze of seculiere aard is. De vraag of er al dan niet een link bestaat tussen totalitarisme en islam (of religie in het algemeen) is al lange tijd voer voor interessante debatten. Dit opiniestuk zal het pleit geenszins beslechten, en ook een introductie tot het “islamitisch recht” hoeft dat niet te doen.

Wel is het academisch onvolledig om te stellen dat de shari’a totalitair is, terwijl wereldwijd moslims als Jamal Khashoggi hun verzet tegen regimes als dat van Saudi-Arabië met hun leven moeten bekopen. Een dergelijke uitspraak berust op de misconceptie dat shari’a hetzelfde is als ‘islamitisch recht’, en dus ook vergelijkbaar is met de westerse rechtsopvatting. Of om het met de woorden van W.B. HALLAQ (een auteur aan wie het handboek ook refereert) te stellen: “[I]n the world of practice, religious law did not constitute a totalizing statement of what must be done, nor was it engaged in transforming reality or managing or controlling society. Attributing to this law roles of control and management would be a distinctly modern misconception, a back-projection of our notions of law as an étatist instrument of social engineering and coercion. Volledigheidshalve zou het handboek dus mogen vermelden dat shari’a meer is dan de enge, islamistische lezing die bepaalde regimes en groeperingen er vandaag de dag aan geven.

Clash of Civilisations

Een tweede maar gelijkaardige bemerking heeft betrekking op een onderscheid op pagina 239. De shari’a deelt de landen van de wereld in”, aldus het handboek, “in de landen waar de islam heerst, de dar al-islam, en de landen waar dat niet het geval is (dar al-harb). Het handboek voegt hierongehinderd door enige nuanceringszin nog aan toe dat met de laatstgenoemde landen de islam theoretisch in oorlog is. “[H]et doel is immers te komen tot een wereldomspannende oemma, gemeenschap in de dar al-islam.” Het handboek stelt dus met andere woorden dat volgens de shari’a de moslimgemeenschap in theorie in staat van oorlog verkeert met landen waar de islam niet “heerst”.

Het handboek laat echter na om dit onderscheid te situeren in de historische context. Het onderscheid vindt zijn oorsprong immers in de tijd van de Rashidun (ca. 632 – ca. 661) en de Umayyaden (ca. 661 – ca. 750). Beide dynastieën verkeerden voortdurend in oorlog met zowel de Perzische Sassaniden als het Byzantijnse Rijk. Uiteindelijk zouden de Umayyaden vanuit Damascus regeren over een Arabisch Rijk dat zich uitstrekte van de Indusrivier over de Levant en de Maghreb tot aan de Pyreneeën. Terwijl in Europa christenen zoals Sint-Augustinus de grondslag vormden voor een theorie van de rechtvaardige oorlog, probeerden moslimgeleerden iets te doen dat in wezen niet zo verschillend was: een religieuze boodschap van vrede op theologische wijze verzoenen met de realiteit van menselijk geweld en bloedvergieten. In deze zin zou het handboek dus zeker beide termen kunnen toelichten.

Daarbij zou het handboek dan echter ook moeten aanduiden dat vandaag de dag het onderscheid tussen dar al-islam (het huis van de islam) en dar al-harb (het huis van de oorlog) achterhaald is. Zelfs landen als Saudi-Arabië en Iran, die toch bekendstaan om een strenge toepassing van de shari’a, zijn lid van de Verenigde Naties. In die zin onderschrijven zij de vrede uit artikelen 1 en 2 van het VN-Handvest niet meer of minder dan pakweg de Verenigde Staten, Rusland en de EU-lidstaten.

In tegenstelling tot het onderscheid tussen dar al-islam en dar al-harb, staat eerbied voor gemaakte afspraken, zoals een internationaal verdrag, wél voorgeschreven in de Quran. Voor zij die meer vertrouwd zijn met juristenlatijn dan met Arabische verzen, bestaat er gelukkig een vrije vertaling: pacta sunt servanda. Dit valt moeilijk te rijmen met een – zelfs theoretische – staat van oorlog.

Bijgevolg bevestigt het handboek een tegenstelling die we vandaag nog maar op twee plaatsen terugvinden. Enerzijds zijn er uiteraard de radicale terreurorganisaties, die graag teruggrijpen naar een historisch concept om hun eeuwige strijd tegen westers imperialisme te onderbouwen. Anderzijds zijn er niet nader genoemde politieke partijen, die electoraal garen spinnen bij het schrikbeeld van een Untergang des Abendlandes. Het is jammer dat een academisch werk deze tegenstelling niet overstijgt door het onderscheid van dar al-islam en dar al-harb historisch te kaderen. In plaats van te focussen op een achterhaald concept, zou dit deel van het hoofdstuk overigens interessante vragen kunnen opwerpen met betrekking tot cultuurrelativisme en de discrepantie tussen islamitisch recht en de universaliteit van mensenrechtenverdragen, in het bijzonder vrouwenrechten en rechten van LGBTQI+. Verschillende overwegend islamitische landen rechtvaardigen immers reservaties bij internationale verdragen zoals de Convention on the Elimination of all Forms of Discrimination Against Women door te refereren aan de shari’a.

Versteend conservatisme

Ten slotte is de ijtihad nog een punt van aandacht. Ijtihad is een veelzijdig concept waar vele boeken over geschreven zijn. Het handboek Rechtsvergelijking verklaart het begrip op een eenvoudige en correcte wijze als de “creatieve rechtsvinding door individuele rechtsgeleerden.” Inderdaad, ijtihad omvat het redeneerproces door middel waarvan geleerden een antwoord proberen te vinden op normatieve vragen. Het handboek gaat echter verder door te stellen dat de poort van de creatieve rechtsvinding met verloop van tijd steeds meer gesloten werd, en dat dit uiteindelijk geleid heeft tot “een verstening van de interpretaties op wat gold in de 11e of 12e eeuw van onze tijdrekening.” Gelukkig voegt het boek hier nog aan toe dat sinds de 19e eeuw er weliswaar een minderheid van rechtsgeleerden is die pleit voor het heropenen van deze poort.

Niettemin blijft de uitleg in het handboek te eenzijdig. In academische kringen bestaat er namelijk geen eensgezindheid over een sluiting van de ‘poort’ van de ijtihad. Sommigen beargumenteren integendeel dat het beeld van een gesloten poort berust op een foute interpretatie van de soennitische islam. Anderen stellen dan weer dat de creatieve rechtsvinding wel verengd maar niet gestopt is, en dat de waarheid dus ergens in het midden ligt. Hoe dan ook staat het vast dat het sjiisme nooit een dergelijke ‘poort’ gekend heeft, en dat ‘de volgers van Ali’ de creatieve rechtsvinding dus ongehinderd voortgezet hebben.

Het is onduidelijk waarom het handboek opteert voor één zienswijze, zonder een verduidelijking of weerlegging van de andere standpunten. Het handboek legt evenmin uit dat er een belangrijk verschil bestaat tussen de twee grootste stromingen in de islam. Ook deze eenzijdige benadering van de ijtihad kan onbedoelde maar aanzienlijke gevolgen hebben. S.P. ALI-KARAMALI en F. DUNNE geven terecht aan dat het debat voor een andere agenda gebruikt kan worden: Indeed, it is a convenient method by which to pronounce Islamic law as inferior the gate of ijtihad closed, and therefore Islamic law has not developed for centuries. With this phrase, then, Islamic law is in just a few words generalised and rendered inferior and backward.

Conclusie: een oriëntalistisch beeld dat aan herziening toe is

In A Theory of Justice hypothetiseert John Rawls dat een veil of ignorance zou bijdragen tot meer rechtvaardigheid. Indien beleidsmakers onwetend zijn over hun maatschappelijke positie, zullen ze immers uit eigenbelang kiezen voor gelijke rechten, kansen en middelen. Wanneer het aankomt op de erfenis van het kolonialisme, leidt onwetendheid echter tot bitter weinig rechtvaardigheid. Een sluier van onwetendheid ontneemt ons nog steeds een klare blik op de hedendaagse doorwerkingen van het kolonialisme. Het is aan de academische wereld om het heden vanuit deze historische dynamiek te doorgronden, in plaats van stereotypen te bestendigen. Helaas doet het handboek Rechtsvergelijking dit vooralsnog niet, aangezien het buiten beschouwing laat hoe Europees kolonialisme juist geleid heeft tot de uitvinding van de term ‘islamitisch recht’. In de traditie van 19e-eeuwse academici, projecteert het boek ten onrechte een westers rechtsbegrip op de islamitische normatieve orde, met gevolgen voor de rest van het hoofdstuk.

Voortbouwend op deze misvatting, bestempelt het handboek het islamitisch recht namelijk als totalitair, verkondigt het handboek een theoretische staat van oorlog tussen moslims en niet-islamitische landen, en beschouwt het handboek de islamitische rechtsvinding als verstard op middeleeuwse rechtsopvattingen. Totalitair’, ‘in oorlog’ en ‘verstening’ zijn echter allerminst onschuldige woorden. Met deze terminologie draagt het handboek bij tot het stereotype beeld van de islam als een onderdrukkende, gewelddadige en conservatieve godsdienst die nood heeft aan westerse verlichting. Met deze terminologie geeft het handboek weerklank aan de retoriek van terreurorganisaties in plaats van deze kritisch te deconstrueren. Met deze terminologie reikt het handboek argumenten aan voor het bij wijlen islamofobe discours van welbepaalde politici.

Ten slotte beklemtoon ik graag dat ik niemand van kwade intenties wil beschuldigen. De term ‘islamitisch recht’ is tegenwoordig nu eenmaal gangbaar, ook in overwegend islamitische landen. Daarnaast is dit stuk zeker geen apologie voor regimes als die van Iran en Saudi-Arabië. Onrecht en discriminatie moeten benoemd worden, het zij weliswaar in de correcte historische, juridische en maatschappelijke context. De auteurs van het handboek zijn overigens reeds op de hoogte gebracht van voorgaande bemerkingen. Dit stuk beoogt niets anders dan bij te dragen aan het debat en, zouden de juiste geesten het met bovenstaande bemerkingen eens zijn, het onderwijs aan de KU Leuven nog te verbeterenAls oud-studentenvertegenwoordiger ligt dat laatste me immers nog steeds nauw aan het hart. Dekoloniseer dus onze handboeken. Niet in het minst omdat het misschien ook de diversiteit in de aula ten goede zou kunnen komen.

Tekst aangeleverd door Cedric D’Hondt, alumnus van de KU Leuven.

 

Bibliografie

ALI-KARAMALI, S.P. en DUNNE, F., ‘The Ijtihad Controversy’, The Arab Law Quarterly 1994, (238) 256.

BUSKENS, L. en DUPRET, B., ‘The Invention of Islamic Law: A History of Western Studies of Islamic Normativity and Their Spread in the Orient’ in POUILLON, F. en VATIN, J.C. (eds.), After Orientalism: Critical Perspectives on Western Agency and Eastern Re-appropriations, Leiden, Koninklijke Brill NV, 2015, 31-47.

DEMARSIN, B. en PIETERS, D., Rechtsvergelijking: De uitdagende wereld van het recht, Leuven, Acco, 2019, 288 p., zie Deel II, hoofdstuk 11 ‘Islamitisch recht’, p. 233 e.v.

Ibid. p. 237

Ibid. p. 239.

Ibid. p. 241.

EMON, A.M., “Ijtihad” in EMON, A.M. en RUMEE A., (eds.), The Oxford handbook of Islamic law, Oxford, Oxford University Press, 2015, p. 183.

HALLAQ, W.B., An Introduction to Islamic Law, Cambridge University Press, Cambridge, 2009, p. 165.

HALLAQ, W.B., “On the Origins of the Controversy about the Existence of Mujtahids and the Gate of Ijtihad”, Studia Islamica 1986, p. 129-141.

SAID, E., Orientalism, Londen, Penguin Books Ltd., 2003, 432 p.

Artikel 1, lid 1 en artikel 2, lid 3 van het Handvest van de Verenigde Naties, 1945,
https://www.un.org/en/sections/un-charter/un-charter-full-text/.

Zie o.m. verzen 2:177 en 5:1 van de Quran.

UNDIVIDED for KU Leuven

UNDIVIDED is a student-faculty diversity initiative at KU Leuven. For a more inclusive university. Contact us at UNDIVIDED@kuleuven.be or on our social media.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s